Toerist in Almería
Poort in de Alcazaba van AlmeríaVanuit onze hotelkamer in Almería keken we uit op een zonsopkomst over het water, dat hier Alboránzee heet, maar natuurlijk gewoon een deel is van de Middellandse Zee. De bus uit Cartagena was gisteren vrij laat in Almería aangekomen, maar nu het daglicht was, konden we de havenstad gaan verkennen.
Al-Marrya
Almería heette ooit Al-Marrya, wat zoiets betekent als “spiegel van de zee”. De stad is ontstaan toen zeelieden huizen begonnen te bouwen op een plek waar ze al weleens handel dreven met de boeren in deze omgeving. Graan voor vis. In 955 stichtte kalief Abd al-Rahman III van Córdoba hier een vlootbasis, die vanzelfsprekend moest worden beschermd met stadsmuren en met een moskee om te bidden om goddelijke bescherming. (Een inscriptie die de bouwwerkzaamheden documenteert, is te zien in het plaatselijke museum.) Op de rotsen achter de stad verrees de enorme burcht die bekendstaat als Alcazaba.
Tuin in de AlcazabaDat woord, al-qasabah in het Arabisch, verwijst naar de citadel waar de gouverneur resideerde in een stad met eigen versterkingen. Het is dus een onderdeel van een groter geheel. Het was voor mij een enorme Aha-Erlebnis toen ik me bij de voorbereiding van deze reis realiseerde dat het Spaanse alcazaba teruggaat op hetzelfde Arabische woord als het Maghrebijnse kasbah. De versterking zelf kan alcazar heten, wat is afgeleid van qasr, wat op zijn beurt weer een verbastering is van het Latijnse castrum, “kasteel”.
Bloei en verval
Almería profiteerde van de aanwezigheid van de zeestrijdkrachten en van de handel, en groeide. In de omgeving werd marmer gewonnen, dat onder meer werd gebruikt voor de bouw van het paleis van kalief Abd al-Rahman III van Córdoba, Madinat al-Zahra. Het werd ook gebruikt voor grafstenen, waarvan we er veel hebben gezien in het museum. De stad produceerde ook zijde.
Nasridische graffito van een schip (Museo de Almería)De eigenlijke bloeiperiode lag in de tijd van de Eerste Taifas (dus na de ondergang van het Kalifaat van Córdoba) en vooral in de tijd van de Almoraviden. Het zwaartepunt van hun macht lag immers in het huidige Marokko en de haven van Almería was cruciaal voor de contacten over de Alboránzee. Groei en bloei kwamen in 1147 echter abrupt ten einde toen keizer Alfonso VII van Castilië de stad innam. De Castiliaanse heerschappij duurde niet lang, want een nieuwe Arabische dynastie nam tien jaar later de macht over: de Almohaden. Het museum toont een enorme katapultkogel die in 1147 of 1157 moet zijn gelost.
Hoewel de stad nog steeds een rol speelde in de contacten tussen El-Andalus en de Maghreb, werd ze overvleugeld door Málaga. Ze viel in 1239 in handen van de Nasriden van Granada, had zwaar te lijden van de Pest, en viel uiteindelijk in 1489 in handen van het verenigde koninkrijk Castilië-Aragón. Toen is ook de kathedraal gebouwd.
Bezoek
Bij ons bezoek aan de Alcazaba hadden we een beetje pech, want de wind wakkerde aan, en de zachte regen veranderde in zo’n mediterrane winterstorm als je weleens meemaakt wanneer je in de winter reist in deze contreien. De wind ging zelfs zo te keer dat mijn voortdurend opwaaiende poncho op een gegeven moment achterstevoren zat. Mijn vriendin heeft een paar hilarische foto’s gemaakt van de wandelende vlaggenmast die ik was geworden met mijn wapperende poncho. Minder grappig was dat grote delen van de Alczaba voor het publiek waren afgesloten, maar als je zag hoe steil sommige trappen waren, begreep je wel waarom. Het voordeel was dat de waterwerken in de tuinen ook werkelijk vol water stonden.
Plafond van de kathedraal van AlmeríaDe kathedraal en het er tegenover gelegen klooster waren mooi, zeker, maar konden me niet echt boeien. Ik denk dat ik het zinnetje “mooi, maar geen Toledo” ga opnemen in mijn taaleigen, want dat vat eigenlijk wel samen hoe ik denk over de katholieke kunst in dit land. En sprekend over die mooie stad: de regenwolken vandaag deden me denken aan de donkere luchten die El Greco schilderde boven Toledo. Al kan de natuur de schilderkunst vanzelfsprekend nooit blijvend evenaren.
Het museum
We bezochten in de ochtend het Museo de Almería, dat alleen te typeren valt als een triomf. Het is in wezen een prehistorisch museum, dat zich concentreert op de Late Steentijd en de Bronstijd. Tot dat laatste tijdperk behoort de Argar-cultuur, die uitvoerig wordt toegelicht. En dat doet het museum heel, heel erg goed. Er wordt echt een maatschappij geschetst, met delen die functioneel samenhangen – en de uitleg is zó dat je ook begrijpt waarom ze zo samenhangen. Er is vaak een ongezonde spanning tussen de archeologische claim inzicht te geven in de menselijke samenlevingen en de feitelijke praktijk, waarin de nadruk ligt op vondsten, maar in Almería biedt het vakgebied wel waar voor zijn geld.
Beker, Argar-cultuurDe verdiepingen van het museum zijn van onder naar boven chronologisch geordend. Dat zie je meteen als je binnenkomt, want het trappenhuis is gebouwd rond een metershoog profiel, dat van de Steentijd omhoog loopt naar het heden. Dus op de bovenste verdieping zie je de eeuwen na Chr. Het Romeinse deel is voorspelbaar en de uitleg is minimaal. Dit heeft evident de belangstelling van de conservatoren niet. De periode nadat kalief Abd al-Rahman hier een vlootbasis had aangelegd, krijgt daarentegen alle aandacht – en dit is weer heel erg goed gedaan.
Almería was overigens de eerste stad waar we geen Nederlands hebben horen spreken, zodat we vandaag genoten van de roes van een nimmer verstoord vakantiegevoel. En op die noot eindig ik, zittend in de bus naar Málaga, deze negende aflevering van mijn narcistisch winterfeuilleton.
#AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #Alboránzee #AlfonsoVIIVanCastilië #Almería #Almohaden #Almoraviden #ArgarCultuur #EersteTaifas #Nasriden
















