Sloppy Science
Vorige week publiceerde Stan van Pelt, die u kunt kennen als degene die in De Volkskrant adembenemende stukken schreef over de problemen rond de vermeende ontdekking van het majorana-deeltje, een boek over wetenschapsfraude. Het heet Sloppy Science en behandelt, behalve de voorbarige majorana-claims, zo’n beetje alles wat de laatste jaren in het nieuws is geweest over minder dan optimaal functionerende wetenschap.
Leesplezier
Ondanks de naargeestige thematiek heb ik Sloppy Science ademloos gelezen. De voorbeelden die Van Pelt noemt zijn goed uitgewerkt. De lezer begrijpt het wetenschappelijke probleem, hij herkent welke hindernis leek te zijn overwonnen, hij snapt waarom dat niet het geval was, en hij begrijpt waarom deze of gene fraude gevaarlijk was.
Een deel van mijn leesplezier was overigens meer persoonlijk, want ik heb zelf een tweeluik gewijd aan classici die de goede raad van archeologen negeren (Bedrieglijk echt) en aan archeologen die niet begrijpen willen wat classici doen (Hannibal in de Alpen). Dat persoonlijke leesplezier werd – zo ijdel ben ik wel – vergroot doordat Van Pelt mijn waarschuwing aanhaalt dat sommige vakgebieden zó gespecialiseerd zijn geraakt dat de beoefenaren onvoldoende beseffen dat andere disciplines inzichten bieden die ook voor hen belangrijk zijn.
Grootmoedigheid
Van Pelt en ik delen dus een belangstelling, maar hij schrijft beter en is grootmoediger. Sloppy Science begint bijvoorbeeld met een fraude door Louis Pasteur, wat suggereert dat de problemen er altijd zijn geweest. Omdat we desondanks verder blijven komen, is wetenschapsfraude niet het einde van de wereld. Dat nuanceert de boel een beetje.
Sloppy Science behandelt allerlei vormen van fraude, waarvan sommige echt bedrog zijn en andere min of meer onvermijdelijk: “grijsgebieden”, in Van Pelts woorden. Hij besteedt verder aandacht aan fraudedetectives, beschrijft de problemen die klokkenluiders ondervinden, en benoemt de perverse prikkels waardoor wetenschappelijk onderzoek ontsporen kan. Hij geeft, opnieuw grootmoedig, het woord aan Diederik Stapel, die mag vertellen over de moeite die hij heeft om, ook nu hij geen onderzoek meer doet, een normaal leven te leiden. Van Pelt noemt neptijdschriften en namaakcongressen, en ook het verschijnsel dat bedrijven onderzoekers betalen om twijfel te zaaien aan gedegen onderzoek.
Buitenwetenschappelijke controle
Vrijwel alles wat Van Pelt schrijft over de exacte en medische wetenschappen, herken ik uit de geesteswetenschappen. Eén factor noemt hij niet: het ontbreken van buitenwetenschappelijke controle. Er zijn weinig wetenschapsjournalisten die even kritisch zijn als Van Pelt, terwijl juist zij de waakhonden behoren te zijn die én bijten als het verkeerd gaat én enthousiast blaffen bij wat goed gaat.
Hierbij speelt een rol dat sommig nieuws niet voldoende als wetenschappelijk wordt herkend en daarom niet belandt bij de wetenschapsredactie. Ik noem nog eens het malle interview hier, waarin een oudheidkundige deuren mag intrappen die al sinds de jaren zeventig openstaan. De wetenschapsredactie lijkt gepasseerd. Een andere reden waardoor de wetenschapsjournalistiek tekortschiet, is dat de informatie die nodig is om een claim te evalueren, de afgelopen dertig jaar achter academische betaalmuren is gelegd. Van concrete plannen die informatie alsnog vrij te geven, ben ik niet op de hoogte. (Probeert u zich eens voor te stellen hoe de financiële journalistiek haar waakhondfunctie zou uitoefenen als het specialisme werd overgelaten aan sportverslaggevers en jaarverslagen achter slot en grendel lagen.)
Oplossingen?
Van Pelt oppert in Sloppy Science ook oplossingen. Hij noemt gedragscodes. Eerlijk gezegd heb ik aarzelingen. De herkomst en de echtheid van de Sapfo-papyri waren van begin af aan omstreden; wat daarentegen vaststond, was dat ze door een misdrijf waren bemachtigd. Evengoed werden ze uitgegeven. Dit was geen grijsgebied; meewerken bij heling is een strafbaar feit. De retractie was een farce, een van de betrokkenen is in een verwante zaak veroordeeld, en er lijkt valsheid in geschrifte gepleegd. Ik schrijf “lijkt”, want de Sapfo-affaire is nooit door de rechter beoordeeld. Als de universiteiten de wet al niet belangrijk vinden, maak ik me over gedragscodes weinig illusies.
Misschien zie ik het te somber doordat ik kijk vanuit de oudheidkundige disciplines. Veel problemen zijn daar al ouder; Van Pelt plaatst het eerste predatory journal rond 2001, maar de oudheidkunde kende al tien jaar eerder tijdschriften die er alleen waren om tegen andere, even overbodige, semiwetenschappelijke tijdschriften te ruilen.
Mijn pessimisme betekent niet dat we het verval niet zouden kunnen afremmen. Ethische commissies kunnen worden versterkt, stelt Van Pelt, en uitspraken van het LOWI kunnen dwingender. Tijdschriftredacties kunnen meer lef tonen. Alles draait om het wegnemen van de onderlinge competitie (“Allereerst moet de topsportmetafoor de prullenbak in”) en een veranderde werkcultuur. Ik ben het met elk van deze punten eens, maar ik zie die cultuur niet meer voldoende veranderen. Er is in elk geval in de oudheidkunde teveel coulance voor falende nabije collega’s, te weinig belangstelling voor andere collega’s en onvoldoende animo om de barricaden op te gaan.
Bureaucratie
Misschien ben ik onvoldoende grootmoedig, maar ik vrees dat dit bij andere disciplines niet anders is. Ik denk dat de wetenschappers die de zaak in de soep hebben laten lopen, niet degenen zijn die het puin opruimen kunnen.
Ik schreef er al eens over. Iedereen erkent de problemen maar ik hoor al veertig jaar dat “dit niet het moment is om de problemen te agenderen” (maar wanneer wel?), dat “de opleidingen nou eenmaal te kort zijn” of dat “wetenschap failing forward is”. Elke club die de laatste tijd de wetenschap heeft willen redden (Science in Transition, de Nieuwe Universiteit, WOinActie…) beperkte zich al snel tot betere arbeidsvoorwaarden, wat niet is waar het feitelijk om draait. De problemen zijn veertig jaar geleden al door mensen als André Klukhuhn en Chris Lorenz benoemd, en ze blijven al veertig jaar onopgelost.
De simpele waarheid is volgens mij een bureaucratische: geen enkele afdeling, in welke organisatie ook, stelt mensen aan die de aandacht trekken van de hogere echelons. Niemand wil problemen met de baas. En dus benoemen ook wetenschappelijke onderzoeksgroepen nooit de mensen die de wetenschap willen herstellen, want dat levert gedoe op, en dus zit de samenleving opgezadeld met grijze muizen.
Verkiezingen op komst
Dat schrijf ik niet met plezier, want natuurlijk zijn er onderzoekers die het beste met de wereld voorhebben. En als er iemand is die niet mag klagen, dan ben ik het, met een netwerk van oudheidkundigen die me altijd adviseren. Hen ben ik oprecht dankbaar, maar ze werken voor een instelling die niet langer van binnenuit te hervormen is.
Wat nodig is, is enerzijds bewustzijn van de problematiek, en daarvoor hebben we Sloppy Science, en anderzijds meer buitenwetenschappelijke betrokkenheid om de door Van Pelt genoemde cultuuromslag effectief af te dwingen: rechterlijke veroordelingen, scherpere wetenschapsjournalistiek en een minister van Onderwijs die een staatscommissie instelt voor nieuw wetenschapsbeleid. De redding van de wetenschap zal van buitenaf moeten komen.
U hoeft dat niet met mij eens te zijn. U mag optimistischer zijn. Maar lees het boek van Van Pelt. En denk na over uw stem op 29 oktober.
#AndréKlukhuhn #boek #bureaucratie #ChrisLorenz #DiederikStapel #LouisPasteur #StanVanPelt #wetenschapsfraude #wetenschapsjournalistiek