#VincentHunink

2016-03-07

Velleius Paterculus (7)

Tiberius (British Museum)

[Deze week recycle ik de inleiding die ik in 2012 schreef voor Vincent Huninks vertaling van de Geschiedenis van Rome van de Romeinse auteur Velleius Paterculus. De Nederlandse titel is Van Troje tot Tiberius en het e-boek is nog leverbaar. Het eerste deel is hier. Vandaag Velleius’ portret van keizer Tiberius.]

Lucianus vond dat een historicus een voorbeeld moest nemen aan

een onpartijdige rechter, welwillend tegenover iedereen, zonder de ene partij te bevoordelen boven de andere. In zijn boeken is de historicus een vreemdeling, zonder vaderland, onafhankelijk, aan geen koning onderworpen, en houdt hij geen rekening met wat deze of gene ervan denkt: hij verhaalt wat er gebeurd is.

Als er één punt is waar Velleius Paterculus ten opzichte van deze norm tekortschiet, dan is het bij zijn beoordeling van Tiberius, voor wie geen compliment te exuberant is. Zoals hij zelf in een andere context toegeeft:

Wat de nog levenden betreft, zo groot als onze bewondering voor hen is, zo moeilijk is ook een kritisch oordeel.

Dit heeft Velleius’ reputatie geen goed gedaan, want Tiberius gold lange tijd niet als groot bestuurder. Het oordeel van de serieuze Romeinse historicus Tacitus en de populaire biograaf Suetonius wogen zwaar, en zij schetsen hem als een getormenteerde geest die in staat was zich tot de Senaat te richten met de woorden

wat ik u moet schrijven, heren senatoren, hoe ik u moet schrijven, of wat ik u op dit ogenblik beslist niet moet schrijven – de goden en de godinnen mogen mij storten in een verderf vreselijker dan dat waaraan ik dagelijks ten prooi ben, als ik het weet.

Een geesteszieke, met andere woorden, die niet hoorde te worden geprezen door een eerlijk historicus. Als doodsklap voor Velleius’ reputatie golden de opmerkingen aan het einde van De geschiedenis van Rome, waar hij Seianus lijkt te prijzen, de commandant van de garde die zó machtsbelust was dat zelfs Tiberius van mening was dat hij beter uit de weg kon worden geruimd.

Zoals hierboven al aangegeven, hebben historici hun beeld van Tiberius intussen bijgesteld, en dat betekent dat nu ook anders tegen Velleius’ loftuitingen wordt aangekeken. Dit wil niet zeggen dat hij tegenwoordig geldt als de enige waarheidsgetrouwe bron, maar zijn woorden gelden inmiddels als overdreven en niet meer als volslagen misplaatst, en hijzelf wordt beschouwd als overenthousiast en niet langer als leugenaar. Op één punt heeft Velleius Paterculus zelfs volledig gelijk gekregen: de oorlogsvoering. Tiberius’ voorkeur Germanië via diplomatie te beheersen, was adequater dan de gewelddadige benadering van zijn broer Drusus en zijn adoptiefvader Augustus. Er is niets mis met Velleius’ bewondering voor een man die als generaal simpelweg bewonderenswaardig was.

Op een ander punt kunnen we vaststellen dat er teveel in Velleius’ woorden is gelezen: hij prijst Seianus niet, hij beargumenteert slechts dat Tiberius het recht had hem als assistent aan te stellen. Sterker nog, Seianus zal niet blij zijn geweest met De geschiedenis van Rome, aangezien Velleius Paterculus hem niet noemt waar hij dat had moeten doen: in zijn beschrijving van de muiterij van de Romeinse troepen in Illyrië, die door Tiberius’ zoon Drusus en Junius Blaesus zou zijn onderdrukt. De actieve figuur was hier vooral Seianus.

En toch. Hoewel niemand nu nog zal beweren dat Velleius’ bewondering voor een geesteszieke hem ontmaskert als een vleier van het laagste allooi, en hoewel er in de antieke opvatting over geschiedschrijving ruimte is voor lof en blaam, blijven de excessieve loftuitingen merkwaardig in een geschiedenisboek. Maar is het einde van De geschiedenis van Rome wel bedoeld als geschiedwerk?

De vraag stellen is haar beantwoorden. Nee. Elke antieke lezer wist dit toen hij las hoe Velleius Paterculus zijn jubelzang op Tiberius aanhief:

En dan de successen en prestaties uit de afgelopen zestien jaar! Die staan in hun totaliteit op het netvlies en in het hart van alle mensen geschreven, dus waartoe daarover spreken in detail?

Als dan toch een gedetailleerde beschrijving volgt, is er sprake van een retorische vraag, zoals die ook in een geschiedwerk kan voorkomen. De lezer kan er echter zeker van zijn dat er écht van genre wordt gewisseld als toon en woordkeuze die van een feestrede blijven, en dat is precies wat gebeurt:

trouw en vertrouwen werden weer centrale begrippen op het forum, en oproer werd daar verwijderd, evenals corruptie vanaf het Marsveld en twisten uit het Senaatsgebouw.

In het Latijn staat het er nog pregnanter: e foro seditio, ambitio campo, discordia curia. De stijlfiguur die hier wordt gebruikt staat bekend als metonymie: het gebruik van een plaatsaanduiding om iets anders aan te duiden, zoals “Brussel” voor de Europese Commissie. (Een uitgewerkte vertaling zou kunnen luiden: “verwijderd werden het oproer uit de districtsgewijze Volksvergadering, corruptie uit de censusgewijze Volksvergadering, twisten uit de Senaatsvergaderingen”.) Dit is niet het taalgebruik van een historicus, maar van een redenaar. En zo gaat het verder. Iedereen herkent even later de retorische overdrijving van “correct handelen wordt nu beloond, verkeerd handelen bestraft”. Velleius Paterculus mocht dan kritisch zijn over Augustus, hij zou nooit voor zijn rekening nemen dat tijdens diens regering correct handelen was bestraft en verkeerd handelen beloond.

We hebben hier te maken met een verandering van genre die elke senator meteen in de gaten had. Velleius’ eigenlijke, historische overzicht is na de stijlbreuk feitelijk afgelopen, wat rest is een retorisch envoi, stilistisch duidelijk gescheiden van De geschiedenis van Rome. Marcus Vinicius zal hebben gedacht aan het einde van de Metamorfosen van Ovidius, een dichtwerk waarmee hij sinds zijn jeugd vertrouwd was: daar wordt een mythologische setting abrupt verruild voor de wereld van de Romeinse politiek, vol lofprijzingen voor de heersers. Het was in proza niet gebruikelijk wat Velleius Paterculus deed, maar er is geen twijfel mogelijk over het punt waar zijn geschiedwerk overgaat in welsprekendheid.

[Morgen vervolg ik met de laatste aflevering.]

#antiekeGeschiedschrijving #MarcusVelleiusPaterculus #Tiberius #VincentHunink

Tiberius (British Museum)
2015-03-14

Tacitus’ Germanen (5)

Beslag van Plinius’ paard (British Museum, Londen)

[Onder de onheilspellende titel In moerassen en donkere wouden heeft de Nijmeegse classicus Vincent Hunink vertalingen samengebracht van alle teksten die de Romeinse historicus Tacitus wijdde aan de Germanen.

Daarover valt een hoop te zeggen. Dit is het vijfde van zeven à acht stukjes, waarmee ik u wil verleiden dat boek te lezen. Het is namelijk echt interessante materie. En nee, ik krijg voor deze blogstukjes – net als voor mijn reeksen over de Historia Augusta en Het leven van Apollonius – geen commissie.]

Eigenlijk zouden we moeten ophouden Tacitus aan te duiden als historicus. Voor zover hij bijvoorbeeld nadenkt over een fundamenteel onderwerp als de tijdrekening, benut hij die om een politiek punt te maken: hij dateert gebeurtenissen, zoals senatoren vanouds deden, aan de hand van de namen van degenen die in een bepaald jaar het consulaat bekleedden. Ons jaar 15 na Chr. heet dus “tijdens het consulaat van Drusus Caesar en Gaius Norbanus”. Met deze keuze wijst Tacitus de door keizer Augustus geautoriseerde jaartelling “sinds de stichting van de stad” af. Tacitus’ voorgangers Titus Livius en Velleius Paterculus deden dat eveneens, maar waar je bij deze auteurs nog kunt vermoeden dat ze het deden omdat ze de fouten in Augustus’ systeem begrepen, lijkt Tacitus’ keuze vooral te zijn ingegeven doordat hij hechtte aan aloude senatoriële voorrechten.

Hoe weinig hij zich bekommerde om correcte dateringen, blijkt wel uit zijn beschrijving van de aanleg van het Corbulo-kanaal, die hij plaatst in 47 na Chr. Door jaarringenonderzoek weten we dat het pas enkele jaren later gebeurde.

Ook Tacitus’ werkwijze is niet die van een moderne historicus. Een archiefrat kon hij immers niet zijn: de Romeinen hadden geen archieven in onze zin van het woord. De stukken die hij in Rome wel kon inzien, zullen zelden betrekking hebben gehad op, bijvoorbeeld, de oorsprong of levenswijze der Germanen. Wanneer een hedendaagse geschiedkundige geen archieven ter beschikking heeft, zal hij uitingen van de materiële cultuur als bewijsmateriaal raadplegen, maar Tacitus deed dat niet, hoewel enkele van zijn tijdgenoten begrepen dat opschriften op oude gebouwen nuttige bronnen van informatie waren.

Kortom: zelfs als we de lat laag leggen en de taak van de historicus reduceren tot het in chronologische volgorde plaatsen van gebeurtenissen, haalt Tacitus een onvoldoende. Over de werkelijk belangrijke taken, zoals het verklaren van de gebeurtenissen en het toetsen van de waarschijnlijkheid van die verklaringen, heeft hij zeker nooit nagedacht.

Als hij de gebeurtenissen al wil verklaren, komt hij niet verder dan de motieven van zijn personages. Neem de opstand van de Bataven: in zijn Historiën noemt Tacitus de persoonlijke rancune van de Bataafse leider Julius Civilis, die vervolgens gebruik maakte van de onvrede van zijn stamgenoten over de Romeinse  rekruteringspraktijken. Dit is op zichzelf niet onmogelijk, maar voor de interne spanningen binnen de Bataafse elite heeft Tacitus geen oog. Sterker nog, het is denkbaar dat hij ons misleidt: Civilis had carrière gemaakt in de Romeinse legers en het motief van de krijger die zich vanuit wrok tegen zijn kameraden keert, was Tacitus’ lezers bekend uit HomerusIlias. De lezers van de Historiën hadden al meer verwijzingen naar de Trojaanse Oorlog herkend, zoals de dood van de oude keizer Galba, die is gemodelleerd op die van koning Priamus van Troje.

Er zijn dus redenen om Tacitus, zoals elke antieke bron, met wantrouwen te lezen. Toch kunnen we over zijn betrouwbaarheid ook te pessimistisch zijn. Hij kon weliswaar geen echt archiefonderzoek doen, maar kon wel navertellen wat hij aantrof in oudere bronnen. Hij vertelt ook welke: de (helaas verloren) twintig delen tellende Geschiedenis van de Germaanse Oorlogen van de Romeinse officier Plinius. Deze heeft enige tijd in Xanten gewoond – het beslag van zijn paard is daar opgegraven (zie boven) – en nam in 47 deel aan Corbulo’s campagne tegen de Friezen en drie jaar later aan de Chattische veldtocht van Pomponius. Bij die laatste actie werden Romeinen bevrijd die tijdens de Slag in het Teutoburgerwoud krijgsgevangen waren genomen. Het is geen wilde speculatie dat Plinius, die zelf ooggetuige was en andere ooggetuigen kende, een redelijk geschiedwerk heeft geschreven.

Tacitus vertelt dit in eigen woorden na en neemt daarbij aanzienlijke vrijheden. Zoals we al zagen plaatst hij de aanleg van het Corbulo-kanaal op het chronologisch verkeerde moment, waarmee hij echter wel bereikt dat het verhaal van Corbulo’s verblijf in de Lage Landen een afgerond geheel vormt. Zo’n ordening van de stof was in de Oudheid gebruikelijk: Tacitus is niet de enige die leesbaarheid belangrijker vindt dan accuratesse. Dat zijn datering misleidend is, wil echter niet zeggen dat de informatie zelf inaccuraat is: het kanaal is immers gegraven.

Hij heeft de naakte feiten niet alleen herordend maar ook aangekleed. Een voorbeeld is zijn beschrijving van Germanicus’ expeditie naar de plaats waar Varus in het jaar 9 met drie legioenen ten onder was gegaan. Het staat vast dat dit relaas via Plinius teruggaat op een ooggetuigenverslag. Tacitus schrijft dat het slagveld was gesitueerd bij een plek die Teutoburg heette (“volksburcht”) en preciseert het als een saltus. Dat woord heeft verschillende betekenissen, waaronder “engte” en  woud”. De eerste is de juiste. Archeologen hebben namelijk een deel van het slagveld gelokaliseerd en het blijkt te gaan om de smalle doorgang tussen een moeras en een heuvelrug. Uit stuifmeelonderzoek blijkt dat ter plekke geen bosvegetatie was. Helaas las Tacitus saltus niet zoals Plinius het moet hebben bedoeld, maar dacht hij aan een woud. In zijn Annalen kleedt hij het slagveld dus aan met bomen en wat dies meer zij, en heeft hij het over een silva, wat uitsluitend ‘woud’ kan betekenen. Op soortgelijke wijze verrijkt hij de Waddenzee met rotsen en de Betuwe met een heilig woud.

Wie wil weten wat er echt is gebeurd, zal zich bij Tacitus dus steeds moeten afvragen wat er in zijn bron kan hebben gestaan en zal zo nu en dan de tekst ter zijde moeten schuiven: omdat het gaat om een bewerking is deze minder belangrijk dan het oorspronkelijke verhaal. Dit terzijde schuiven staat in het oudheidkundig jargon bekend als “eliminatie” en is een van de eerste zaken die een historicus leert. Dat is niet altijd zo geweest, en zo is het gekomen dat saltus Teutoburgiensis standaard wordt vertaald als “Teutoburgerwoud”, hoewel dat onjuist is.

[wordt morgen andermaal vervolgd]

#antiekeGeschiedschrijving #geschiedschrijving #PubliusCorneliusTacitus #stuifmeelonderzoek #Vetera #VincentHunink

2025-03-28

Murus Gallicus

Gereconstrueerde Murus Gallicus (Bibracte)

Het wilde in 52 v.Chr. niet vlotten met de Romeinse belegering van Avaricum, het huidige Bourges, en Julius Caesar kon zijn frustratie niet onderdrukken. Het kwam allemaal door die verdraaide stadswal. In zijn Gallische Oorlog geeft hij een beschrijving van de muren die hem weerhielden van het innemen van de hoofdstad van de Bituriges. Hier is de vertaling van Vincent Hunink.

Over de volle lengte van wat de muur wordt, legt men loodrecht balken op de bodem, telkens met een tussenruimte van twee voet. Deze worden aan de stadszijde verbonden en bedekt met een hoop aarde. De genoemde tussenruimten worden aan de naar buiten gerichte kant volgestopt met grote keien. Als de balken dan goed vastzitten, wordt er nog een laag bovenop gelegd. Men houdt daarbij een even grote tussenruimte aan, maar zorgt dat de balken elkaar niet raken: elke balk ligt weer op dezelfde afstand van de vorige, maar rust telkens op de keien eronder en wordt stevig vastgeklemd. Zo wordt dan verder het hele werk in elkaar gezet, tot de muur de juiste hoogte heeft.

Door die afwisseling van balken en keien, die allebei in rechte lijnen zitten, biedt zo’n werk een gevarieerde aanblik en is het niet lelijk. Bovendien is het praktisch en bijzonder geschikt voor de verdediging van steden, doordat de stenen beschermen tegen brand en het hout tegen een stormram. Het houtwerk is namelijk meestal aan de stadszijde nog verbonden door dwarsbalken uit één stuk van veertig voet, waardoor het niet doorgebroken of losgewrikt kan worden.noot Julius Caesar, Gallische Oorlog 7.23; vert. Vincent Hunink.

Archeologen hebben op diverse plaatsen zo’n Murus Gallicus teruggevonden en we weten daardoor dat Caesars beschrijving accuraat is. In Manching, de hoofdstad van de Vindelici, is vastgesteld dat het ruim zeven kilometer lange netwerk van balken en stenen zeker vier meter hoog moet zijn geweest, dat de aarden wal aan de binnenkant twaalf meter diep was, en dat de onderste balken met metalen spijkers aan elkaar waren geslagen. Men heeft uitgerekend dat 7000 kubieke meter kalksteen nodig was voor de buitenzijde, en dat de vulling bestond uit 90.000 kubieke meter steen en ruim 100.000 kubieke meter aarde. Het totaal gewicht van de spijkers was twee ton.

Murus Gallicus in Manching

Op diverse plekken kan de hedendaagse toerist ook een gereconstrueerde Murus Gallicus zien. In Oerlinghausen was bovenop de muur nog een palissade geplaatst. Waarop dat is gebaseerd, weet ik niet; het lijkt me moeilijk de bovenbouw te reconstrueren van iets waarvan je alleen fundamenten opgraaft.

Overigens nam Caesar Bourges in, hoe sterk de muren ook waren.

#Avaricum #Bibracte #Bituriges #Bourges #GallischeOorlog #JuliusCaesar #Manching #MurusGallicus #Oerlinghausen #VincentHunink #Vindelici

Client Info

Server: https://mastodon.social
Version: 2025.07
Repository: https://github.com/cyevgeniy/lmst